TKV Mannetje

Berm, boerenland erachter, kleine groepjes bomen, gebouwen overal en nergens, ze glijden het zijraam in en uit. Alles is zo grauw en kleurloos dat niets haar aandacht opeist. Gedachten klonteren samen tot een vormeloze brei van ditjes en datjes. De auto hikt betonnen snelwegplaten ritmisch onder zich vandaan. Vanuit de boxen hummen Kiwanuka’s refreinen haar dieper en dieper de achterbank in. Daar gloeit de stoelverwarming tegen haar spijkerbroek. Maar haar tenen in leuke rode, maar te dunne sneakers zijn gevoelloos. Trekken en duwen tegen het leer in een poging om de bloedvaatjes, eindeloos ver van haar hart vandaan, weer open te wrijven. Ineens schiet er een lang vergeten, maar bekende vorm haar blikveld binnen. Dat is zo’n mannetje! Ze zag hem meer dan dertig jaar niet. Nu treft ze er een, ergens langs een Belgische weg, hoog op een dak. Ze draait haar hoofd om hem zo lang mogelijk in beeld te houden, tot hij net zo snel verdwenen is als dat hij verscheen. Ze ploft terug in de bank en staart verbluft voor zich uit. Dit was er precies zo een als in haar jeugd. Ze herinnert zich het haarscherp. Het mannetje stond op het dak van de verffabriek achter haar huis. Hij had een wandelstok in zijn hand en op zijn hoofd prijkte een bolhoed. Jarenlang was zijn silhouet van stalen pijpen en buizen het eerste wat ze iedere dag zag als ze het gordijn van haar slaapkamer omhoogschoof. Hij scheen warmte en gassen af te voeren van processen en werkzaamheden die zich onder hem in het bedrijf voltrokken. Het mannetje werd een trouwe buur. Zij groette hem ’s morgens en als de schemer inviel en hij langzaam vervaagde tot een donkere vlek boven de heg, wenste ze hem een goede nacht. Hij stond er altijd, onverwoestbaar. Tot die hele vroege ochtend. Het was rond vijven. Ze hoorde kabaal buiten. Nog slaperig stommelde ze uit bed en terwijl ze het rolgordijn omhoogtrok zag ze een oranje gloed tegen het witte raamkozijn flakkeren. Het mannetje stond daar, roerloos, standvastig als altijd. Maar uit zijn bolhoed puften gitzwarte wolken rook en uit de wandelstok laaiden woeste vlammen. Er klonken doffe ontploffingen. Achter de ramen van het gebouw bulderde het. Binnen een paar minuten reikte het vuur tot de romp van het mannetje en slokte het met blakerende uithalen zijn wandelstok op. Beroofd van zijn steun ging hij steeds krommer staan. Zij staarde er in afgrijzen naar vanachter het dakraam. Zelfs door het glas heen voelde ze de verzengende hitte van het vuur op haar gezicht. Ze merkte niet hoe haar benen trilden tegen de pijpen van de flanellen pyjamabroek. Achter haar wimpers hoopten tranen op. Pas toen ze niets meer scherp zag, knipperde ze. Ontzetting en paniek tuimelde in grote druppels geluidloos op haar bleke blote voeten. Ze besefte ineens dat ze deze brand, precies zoals hij zich nu voltrok, in een droom eerder had gezien. Nu verloor die nachtmerrie zijn onschuld en kreeg de ijzingwekkende vorm van een visioen. Ze schudde hard met haar hoofd, in ongeloof. Ze zag hoe het mannetje, met een jas van vlammen en zonder de steun van zijn wandelstok, langzaam voorover zakte en in de laaiende massa achter de heg opging.

In de voorruit doemen de buitenwijken van Kortrijk op. Ze knippert nog een paar keer met haar ogen, zoals ze dat af en toe deed in de jaren na de brand. In de hoop het silhouet van het mannetje weer op te roepen. Als een verlichte blauwdruk achter haar oogleden. Maar het blijft leeg. Ze denkt terug aan de beelden van het journaal van de avond ervoor. Mensen die vanuit chaos op straat staren naar hun flat, opengereten en weggevaagd door een suizende bom. Ze stelt zich voor hoe zij hun ogen dichtknijpen, op zoek naar vertrouwde beelden van hun thuis van voor de inslag. Ze nadert nu het oude centrum van Kortrijk vanaf de Broeltorens, die, als gerokte ridders, aan weerskanten van de Leie het water overzien. Over de rivier jaagt een snijdende wind. De stad is gehuld in de diepste kleurloosheid. Kerstverlichting doet haar best voor de sfeer in de straten. Op het marktplein verpieteren wegwerp kerstbomen op vurenhouten kruizen. Hun takken bespoten met spuitbussneeuw. Alleen in het begijnhof lijkt het ook zonder kerstversiering wat lichter door de witte geveltjes. Ze maakt er foto’s van zichzelf met de Sint Maartenstoren achter haar, als een stokbrood uit een rugzak. Bovenop de toren waait het hard. 265 treden trillen na in haar knieschijven. Tussen wapperende haren door speurt ze de omgeving af. Ze telt zes kerktorens en de toren van de universiteit. Nergens ziet ze zo’n mannetje, zoals ze langs de snelweg zag. Voor de terugreis naar Nederland zorgt ze dat ze aan de andere kant van de auto zit. Ze kijkt onafgebroken uit het zijraam om hem niet te missen. En ergens langs de E17, nog net voor Gent en zonsondergang, glijdt hij weer in beeld. Fier rechtop, net als haar vroegere buurman boven de heg. Ze spreidt haar vingers en duwt ze tegen het glas. Ademt een stille groet die in een waaier beslaat tegen het raam en haar het zicht beneemt. Gehaast veegt ze het waas weg, ze wil zo lang mogelijk kijken. Vanuit haar ooghoek ziet ze nog net hoe het mannetje op de loods even zijn hoed voor haar optilt.